Gerrie Teekens Overleden

Gerrie Teekens is op 31 oktober 2019 overleden. Hij werd 83 jaar en heeft tot het laatst nog cd’s op zijn label ‘Criss Cross’ uitgebracht. Daarvoor kreeg hij in 1999, heel verdiend, de Paul Acket Bird Award

Gerrie Teekens. Foto: Ethan Iverson

Potverdorie, ‘t geldt ook voor Gerrie Teekens: “Dat je het eeuwige leven hebt, tot het ophoudt”. Voor sommige mensen zou je willen dat dit niet opging. Bijvoorbeeld voor hem, omdat hij zich met zijn label ‘Criss Cross’ ruim veertig jaar ingespannen heeft om een heleboel oudere en vooral veel jonge Amerikaanse Jazzmusici hun muziek vast te laten leggen. Zo heeft hij voor veel muzikanten hun ontwikkeling vast weten te leggen. In hun eigen land kwamen ze nagenoeg niet aan de bak als het daarop aankwam. Daarmee is hij vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw tot en met dit jaar in zijn eentje vergelijkbaar met wat Alfred Lion en Francis Wolff met hun label Blue Note in de jaren Vijftig en begin jaren Zestig deden voor de toenmalige jonge Jazzmusici: met liefde en aandacht ruimte geven om hun werk vast te leggen.

Voorspel
Gerrie Teekens was in de jaren zeventig jazzdrummer en leraar Duits voor-het-regelmatige-inkomen. Als drummer leerde hij te luisteren naar zijn mede bandgenoten. In die tijd zwierf hij ook regelmatig door Nederland met platen van zijn favoriete musici om die lp’s aan de man te brengen. Ook vond hij dat veel jazzmusici niet de ruimte kregen om op te treden en platen te maken. Daarom organiseerde hij tournees voor mensen als Jimmie en Doug Raney. Zo heeft hij ook de hand gehad in de tournees van Warne Marsh en Lee Konitz, in december 1975 en daaraan verbonden voorjaar 1976. Hij zorgde er onder andere voor dat ze ook tijdens die december maand zelfs in Franeker optraden. En daarna in Engeland terechtkwamen. De koninklijke Live opnamen van dit telepathische duo in december 1975 in Kopenhagen, getuigen nog van die tour. Het label Storyville heeft die opnamen in 2009 nog eens compleet op vier cd’s in een boxje opnieuw uitgebracht. ( https://www.storyvillerecords.com/products/two-not-one-1088606 )

Criss Cross
Rond 1980 kreeg hij het voor elkaar dat zijn helden ook platen konden opnemen. Op zijn eigen label: Criss Cross. Achter deze naam had hij oorspronkelijk bedacht: ‘Over the World’. Maar dat werd hem afgeraden: te lang! Dus werd het de titel van een van Monk’s beroemde composities.
Februari 1981 kwamen de gitaristen Jimmie en Doug Raney in een studio in Hilversum, samen met Eric Ineke en de Deense bassist Jesper Lundgaard, om de eerste lp op te nemen. Die kreeg nummertje 1001. De laatste cd tot nog toe kreeg catalogus nummer 1404. Een gemiddelde van 10 LP/CD’s per jaar. En dat voor een man alleen, zonder medewerkers, vanuit Enschede.
Daarvoor hing hij regelmatig tijden lang met Amerikaanse musici aan de telefoon om voor zijn halfjaarlijkse opnamen afspraken te maken. Zij mochten dan zelf hun groep vaststellen en het programma. Hij wist dat dat het meest waardevolle resultaat opleverde.
Dan kwam hij ergens in het voorjaar en in het najaar naar New York en nam dan in een week tijd acht groepen op. Later werden dat nog maar vier ensembles. Die opnamen werden dan klaargemaakt voor nieuwe cd’s en zonder veel poespas de wereld in geslingerd. De laatste jaren ging dat meestal via Challenge, de distributeur uit Amersfoort.

Zijn eigen ontwikkeling van Hardbop naar jonge musici
Hij was oorspronkelijk vooral gericht op Hardbop, al hoorden de musici die hij als eersten opnam vooral bij de Cool stroming. Later boog hij zijn voorkeur om naar jonge musici die niet makkelijk bij de gevestigde labels aan de bak kwamen en bij wie hij wel de potentie hoorde. Zijn muzikanten bleven hem over het algemeen lang trouw.
Hij legde de lat voor zijn musici hoog. Misschien vandaar dat er weinig Europese musici op zijn label terecht kwamen. In het begin heeft hij Philip Catherine wel opgenomen en Ferdinand Povel. Zelfs Joop van Enkhuizen heeft hij in het begin vastgelegd. In de 21e eeuw nam hij van Jesse van Ruller en Peter Beets nog cd’s op.

De Japanse Catalogus van het Criss Cross label, die in 2010 in Japan werd uitgegeven.

Waardering
Zijn label was in Nederland niet zo populair, maar in Japan en de V.S. waren zijn platen en cd’s zeer gewild. Zozeer zelfs, dat er in 2010 bij gelegenheid van het dertigjarig bestaan van het label, een complete catalogus van alle toen nog verkrijgbare uitgaven op zijn label werd uitgegeven, als een soort eerbewijs aan Gerrie Teekens. Peter Beets was met zijn “Chopin Meets the Blues” ‘Criss1329CD’ de een na laatste die in deze catalogus stond. Sindsdien heeft Teekens in de jaren ‘10 nog zo’n 70 cd’s uitgebracht De laatste tot nog toe die op het internet ( https://www.crisscrossjazz.com ) staat is nr. 1404. Er zitten nog een paar cd’s voor december in het vat.

Zijn zoon Jerry heeft al aangekondigd dat hij de erfenis van zijn vader doorzet. Het is te hopen dat zo een belangrijk stuk Jazzgeschiedenis beschikbaar blijft.

New Cool Collective – Dansé Dansé

Opnieuw vangt New Cool Collective de muzikale waan van de tijd. Niet alleen suggereren ze met de titel dat de cd iets met Dance te maken zou hebben, maar ze vullen hun muziek ook aan met ritmes en grooves uit de drumcomputer. Alsof slagwerker Joost Kroon en percussionisten Jos de Haas en Frank van Dok het ritme met zijn drietjes niet meer af zouden kunnen. Ik denk het wel, maar het resultaat van de kunstmatige inbreng op deze cd maakt de muziek heel eigentijds. Hoogstens mag je denken dat de overheersende basdrum met zijn vier in de maat, wel wat eenzijdig is voor een Jazzgroep. In de popkelders en andere -zalen is deze beat natuurlijk van wezenlijk belang! Daar vinden ze ook een groot deel van hun publiek.

De inbreng van de acht van het NCC blijft, los van de elektronische inbreng, essentieel! Over het algemeen hoor je hun instrumenten zeer genuanceerd. Compliment voor opnametechnicus Kasper Frenkel van Electric Monkey en voor Joost Kroon die het geheel in zijn eigen studio heeft afgemixt.

De cd is overweldigend en ligt lekker in het gehoor. Het thema van het computerachtig gestuurde ‘Ramapolo’ wordt door de blazers degelijk vormgegeven, door de motiefjes van de drumcomputer heen gestuurd. Zelfs het karakteristieke geluid van de alt van Benjamin H. wordt hier gesluierd tevoorschijn getoverd. En de toetsen van Willem Friede hebben een aangepast geluid gekregen alsof er een marimba gebruikt wordt

Zelfs een sikkisch nummer als ‘Bidibidi’ is heerlijk aangekleed met ritmes en muzikale beweging, zodat het toch leuk is om te horen.

In het opgewonden ‘Gnawa’ hoor je toch weer de drie slagwerk-heren ouderwets degelijk tekeergaan. Lekker net voor de maat uit ijlend zorgt Joost Kroon dat iedereen wat gehaaster klinkt. De beide percussionisten De Haas en Van Dok doen hun best om het ritme lekker vol te maken, De vier melodie instrumenten, blazers, gitaar en toetsen, spelen unisono het thema motief. 

Of deze muziek het goed doet in een Jazzzaal? Daar zullen ze het publiek vast wel mee krijgen, maar in een popzaal gaat de hele meute de vloer op en leeft zich helemaal uit. Dat is waarvoor de New Cool Collective zesentwintig jaar is begonnen: Jazz weer dansbaar en populair te maken. Dat is wat ze al die tijd voor ogen hebben gehouden. Daarvoor blijven ze populair in vele zalen. Chapeau!

New Cool Collective – Dansé Dansé

 Dox

Benjamin Herman – saxen en basfluit

David Rockefeller – trompet en trombone

Rory Ronde – gitaren

Willem Friede – Keyboard instrumenten

Joost Kroon – drums

Leslie Lopez – elektrische bas

Jos de Haas – percussie

Frank van Dok – congas

Gerry Mulligan and the Concert Jazz band – Young Blood, Live in Amsterdam 1960

Het Nederlands Jazz Archief heeft het opnieuw voor elkaar gekregen om een unieke opname op cd te zeten. Het live concert van de Concert Jazz Band onder leiding van Gerry Mulligan. Als er één band is die ondanks haar korte -vijfjarige- bestaan een legendarische status heeft opgebouwd, dan is het wel dit orkest. Van de Concert Jazz Band zijn een aantal prachtige Europese live opnamen op de plaat gezet. 

In november 1960 heeft de Concert Jazzband door Europa getoerd. Van die concerten zijn enkele stukken uit Milaan en uit Berlijn op een Live plaat van het label Verve gezet. Van deze Europese tour bestaan ook cd’s van het concert in Zurich (17 nov.) en van het Parijse concert (19 nov.). Dat zijn prachtige voorbeelden van de mogelijkheden van deze band. 

Nu heeft het Nederlands Jazz Archief dan de derde concertopname van deze tournee uitgebracht en wel van het Amsterdam concert van 5 november. Dat was dus nog in het begin van de tournee. Dat is wel sensationeel.

Er zijn enkele verschillen met die concerten aan te wijzen. Het valt meteen op dat naast de altijd aanwezige baritonsaxofoon, ook de contrabas in ‘Amsterdam’ voor in het geluidsbeeld staat. Dat geeft een mooi fundament aan het geheel en het valt te meer op, omdat de bas bij een bigband zelden of nooit zo mooi te horen is. Op de foto achterop het cd-boekje zie je dat de bassist ook vooraan staat. 

In het Concertgebouw speelde de Band twee stukken die daarna niet meer ten gehore werden gebracht: ’18 Carrots For Rabbit’ en ‘Youngblood’. Het eerstgenoemde stuk had hij een jaar ervoor samen met Johnnie Hodges (bijgenaamd: ‘Rabbit’) op de plaat gezet. Deze Amsterdamse uitvoering is de tweede door de CJB en voor zover ik na kan gaan, ook de laatste uitvoering die werd vastgelegd. Je vindt het ook op de Live opname van het Newport concert van 1 juli 1960. Ook toen werd zo snel gespeeld.

Voor je gevoel lijkt het dat hier in Amsterdam wat opgewekter, iets sneller wordt gespeeld dan op de 19e in Parijs. En weer niet zo snel als op de beroemde live opname in New York, een maand later. Maar bij terugluisteren is dat alleen maar in de herinnering het geval: over het algemeen valt het verschil in tempo heel erg mee! Het geeft wel aan dat ze in Amsterdam met meer plezier gespeeld zouden hebben.

De setlist van ‘Amsterdam’ verschilt verder niet zo heel veel met die van de concerten in Zurich en Parijs. In ‘Barbara’s Theme’ heeft de contrabas de functie het orkest in het Parijse concert gekregen. Daardoor krijgt het samenspel van baritonsax, basklarinet en orkest hier niet die prachtige stemming als in ‘Parijs’. Het thema komt het uit de filmscore die Johnnie Mandel voor een film schreef, net zoals ‘I want to live’ zoals de film heet en ‘Black Nightgown’. Het blijken pareltjes te zijn op de kroon van dit orkest. 

‘Go Home’ had Mulligan opgepikt van zijn beroemde plaatopnamen met Good Old Ben Webster, van december 1959. Deze ballad was blijkbaar erg favoriet bij Mulligan. Die staat bij de neerslag van vele concerten genoteerd. Ook hier wordt het thema als gewoonlijk lekker relaxed ingezet waarna Mulligan soleert en Bob Brookmeyer het overneemt. Zoot Sims komt als derde solist naar voren. Na verloop van tijd ondersteunt Mulligan hem met obligato’s. Tenslotte speelt de Band een begeleidend motiefje en leidt zo het slotthema in. Een heerlijke ballad. 

Het daar opvolgende ‘Youngblood’ wordt ingeleid door de baritonspeler met de opmerking dat hij het (in 1952) schreef voor de Kenton Band “…toen hij nog jong was…”, “…en nog bloed had…” Dit titelstuk van de cd werd goed ‘doorbloed’ en in uptempo gespeeld. Met solo’s van de bassist, die begeleidend net zoals Ruud Jacobs ook wel deed, achter de solist even gedreven begeleidde als hij soleerde. 

‘As Catch Can’ is ook een fenomenaal strijdros waarop de solisten in hoog tempo hun inventiviteit tonen. Mulligan nam het mee uit de speellijst van zijn kwartet uit 1959 met Art Farmer en de West Coast ritmetandem Bill Crow en Dave Bailey. 

Ook deze derde Europese live-opname is een ideaal visitekaartje van deze legendarische band. Voor wie niet bekend is met deze muziek is het een uitstekend opstapje dat vraagt om meer.

Gerry Mulligan and the Concert Jazz band – Young Blood, Live in Amsterdam 1960 – Nederlands Jazz Archief – NJA 1902

Gerry Mulligan – Baritonsaxofoon

Nick Travis, Don Ferrara, Conte Candoli – trompet

Willie Dennis – trombone

Bob Brookmeyer – ventieltrombone

Alan Raph – bastrombone

Gene Quill – altsaxofoon, klarinet

Bob Donovan – altsaxofoon

Zoot Sims – altsaxofoon op de nummers 8, 9, 11

Jim Reider – tenorsaxofoon

Gene Allen – baritonsaxofoon, basklarinet

Buddy Clark – contrabas

Mel Lewis – drums

Native Speaker – Native Speaker

Dit trio is thuis in haar eigen muzikale doolhof. Hun improvisaties stralen zekerheid en een groot zelfvertrouwen uit. Ze weten wat kan en wat niet. Daarnaast is hun muziek ook een avontuur van zoeken naar nieuwe wegen. Dat geldt voor de muzikant, maar zeker ook voor de luisteraar 

De stukken zijn geschreven met telkens twee totaal verschillende uitgangspunten in het achterhoofd., een muzikaal en een niet muzikaal. Begrippen die op het eerste gezicht niet met elkaar verenigbaar zijn, maar muzikaal een prachtig resultaat geven. Zo koppelt componist Sued in ‘French Accent’ de Franse taal met zijn ervaringen in de band van Tancrède Kummer. In ‘Mates y Termos’ voegt hij de smaak van Mate, de nationale, Argentijnse thee die staat voor gastvrijheid, praten en gezelligheid, samen met de (toch wel) strenge muziek van de door Sued hooggeachte Paul Termos. 

Of hij zet vrijheid tegenover organisatie, wat ze uitzoeken in ‘Frases in Sueltas’ oftewel ‘Losse zinnen’. En het resultaat? Avontuur, Improvisatie en eenheid. Op zich zijn dat ook weer uitersten die onverenigbaar schijnen en toch bij elkaar kunnen passen. Om die twee tegenstellingen in deze compositie bij elkaar te brengen dien je zeer met elkaar verbonden en tolerant te zijn, je moet mekaar ruimte gunnen en je moet rekening met elkaar houden. Zoals dat in het gewone leven ook het geval is. In ‘Frases in Sueltas’ speelt een vierde man mee: gitarist Guillermo Celano. Of het ligt aan het feit dat hij ook van Argentijnse afkomst is, zoals Natalio Sued de tenorist en componist van het trio, weet ik niet, maar Celano past wonderwel goed in het klankbeeld. Het is niet verbazingwekkend dat het kwartet voor dit nummer de meeste tijd nam.

In ‘Ornette’ combineert Sued eenvoud met de muziek van Ornette Coleman. In wezen heeft Coleman destijds in zijn muziek de bebop ontdaan van eisen en voorwaarden: vereenvoudigd. Vervolgens is het weer heel lastig om in de geest van Ornette Coleman te spelen, omdat Ornettes oplossing, Harmolodics, weer een nieuwe, bewust aan te leren discipline vereist. Met andere woorden, deze muziek is als het leven zelf: complex en eenvoudig. En: Natalio Sued heeft het voor elkaar gekregen om improvisatie muziek boeiend te maken.

Rest me nog te zeggen dat Ben van Gelder verantwoordelijk is voor de gebruikte foto’s.

All of the tunes on this album contain both musical and extra-musical inspiration. I like to compose with something in mind other than a musical idea, and since I’m an easily impressionable person, I decided to pay tribute to many of the influences I have from playing, listening, reading, and basically from being in this world. 

We invited Guillermo Celano to play on four of the tunes. He clicked with Native Speaker’s sound almost immediately and we liked it so much that it was hard not to make him a permanent new member of the band.

CD: Native Speaker op trytone

Natalio Sued – tenorsaxofoon

Matt Adomeit – contrabas

Tristan Renfrow – drums

Guillermo Celano – Gitaar op vier stukken

Native Speaker op het Doek Festival 2017

Roberto Magris – Sun Stone

Roberto Magris Sextet – Sun Stone
JMood

Roberto Magris, de Italiaanse pianist die in het voormalige stadstaatje Triëst woont en meestal in De Verenigde Staten bij het label JMoods te vinden is, heeft weer een nieuwe cd aan zijn groeiende reeks toegevoegd. Hij heeft altijd wel een oude held gevonden die hij even uit de vergetelheid rukt. Daarin heeft hij wel wat van ‘onze’ schatgraver in de ‘echte Jazz’ Rein de Graaff. Magris schrijft zelf ook veel composities en is actief bij zijn label.

Voor deze cd heeft hij een nieuwe line up voor zijn sextet uitgenodigd waaronder ook de oude held Ira Sullivan op altsax, sopraansax en fluit. Die was in de jaren Vijftig van de vorige eeuw actief in de Hardbop scene speelde onder andere veel met Red Rodney. De overige musici zijn hier in Europa niet echt bekend. Tenorist Mark Colby heeft Chicago als thuisbasis. De overige musici komen uit de jazzscene van Florida en zijn op hun taak berekend! De slagwerker komt van Costa Rica. Dat belooft veel vuurwerk.
Met de drie blaasinstrumenten heeft Magris van de muziek een mooi geheel gemaakt. De stukken zijn uitgebreid en heel vloeiend gearrangeerd. Het lijkt wel of Magris een mooi waas over enkele stukken heeft gelegd. Vooral bij ‘Sunstone’. Ook in ‘Maliblues’ komt diezelfde klankkleur boven water. Trompettist Shareef Clayton soleert in het laatste geval iets minder geëmotioneerd, dat wil zeggen: minder overblazend en schetterend, aan zijn solo begint.

Ira Sullivan heeft op zijn dwarsfluit, alt en sopraan een groot aandeel in de solo’s. In ‘Planet of Love’ en de ‘Maliblues’ komt zijn dwarsfluit tevoorschijn. Hij speelt sopraan in ‘Look at the Stars’ en in de Italiaanse jaren Zestig hit ‘Innamorati’ soleert Sullivan op zijn alt.
Mark Colby speelt zijn solo’s rustig en weloverwogen, met voortdurend tussensprintjes. Roberto Magris zelf heeft een grote inbreng. Hij introduceert de stukken meest zelf op zijn piano, soleert in elk nummer en begeleidt intensief. Het resultaat is degelijke Neo-Bop muziek die de muzikanten rechtdoet en de liefhebber aangenaam bezighoudt.

Roberto Magris Sextet – Sun Stone
JMood

Shareef Clayton – Trompet
Mark Colby – tenorsax
Ira Sullivan – altsax, sopraansax en dwarsfluit
Roberto Magris – Piano
Jamie Ousley – contrabas
Rodolfo Zuniga – drums